Wat is er toch aan de hand? Arnt, zoon van bijna zes, heeft al weken nachtmerries. Hij wordt ’s nachts wakker en roept de boel bijeen. Met als gevolg dat onze nachtrust al weken verstoord wordt.

En nu ben ik moe. Moe. Moe. Moe. Ik moet moeite doen om niet achter het stuur in slaap te vallen. Wanneer ik na de lunch even met de kinderen in de zetel chill val ik steevast in slaap. Je kan er op rekenen, tijdens mijn dutje wordt er niet stilgezeten. De hond is ontsnapt, er zit nagellak op de kast en stickers zijn met lijm op de ramen vastgeplakt.

Ik moet er iets aan doen. Ik kan het kind toch moeilijk een slaapmiddel geven. Met het risico dat Lolliepop mij vierkant zal uitlachen, ga ik de alternatieve toer opgaan met Arnt. Concreet: ’s avonds druppeltjes Bachbloesem en een sessie yoga voor het slapengaan.

Op hoop van zegen.

Het is weer zover. Daarnet naar ‘Amityville Horror’ gekeken ofzo. Zegt Lansen, ‘Zeg, ik moet nog weg’.
Dus nu ben ik thuis, alleen. Begint Arnt toch wel te gillen zeker. Ik heb nét niet in mijn broek geplast.
Ik denk dat ik mij zal laten hypnotiseren om van mijn angst van vieze mannekes met groene ogen en spinnen af te geraken.

Wanneer ik in mijn auto stap, en ik ben alleen, word ik een Johnny. Dat komt denk  ik door teveel alleen in regenbuien gereden te hebben. Ja, ik heb een hele theorie.

Want ik neem de tijd in de auto om te reflecteren over mijn rijstijl. Ik ben het aan mijzelf verplicht, zo als beginnende chauffeur. Vind ik zo.

Dus, wanneer ik weer eens een bocht te kort heb genomen ondertussen luid jiehaaa roepend (I kid you not) maan ik mijzelf aan tot rust en vraag ik mij af, zo in mijn eigen, waar dat gedrag vandaan komt.

Ik steek het op de regen. In de puberteit van de ontwikkeling van mijn personage als chauffeur, regende het veel. En ik moest toevallig vaak in Antwerpen en hartje Brussel zijn. Ik was vaak bang in de auto, moest mijzelf moed inspreken. Met als pervers effect dat ik nu overmoedig in mijn Toeran toer, met de muziek veel te luid, en de tong in een constante parate staat om uit te steken.

De Johnette in mij moet zich koest houden, of ik zal veel boetes moeten betalen voor haar wangedrag. Ik doe mijn best.

Zaterdag 27 juni dendert de Murga-parade weer door de stad. Antwerpen, that is. Onze murga, Sentimento Verde, vertrekt om 16u aan de Teniersplaats.

Noteer mijn korte stijl in dit bericht. Nee, ik ben niet zenuwachtig. Gewoon. Kort van stof.

Het is alleen het volgende…Mijn topje is te groot en het schuift over mijn borsten. Het is de bedoeling dat je er niets onderaan draagt.

Geen zenuwen. Alleen wat koudwatervrees. Voor een Nipplegate.

Gisterenavond moest ik, moederziel alleen in mijn grote auto, alleen van Antwerpen naar huis rijden. In de gietende regen. Gelukkig had ik de nieuwe van Daan om mij compagnie te houden, maar omdat Daan de laatste dagen nogal veel mijn reiscompagnon is, heb ik dan maar de radio opgezet.

Op dinsdagavond zenden ze op Stubru het allerleukste programma ‘Whiplash’ uit. Hardrock enzo. Kan ik nog eens luid meezingen met die foute evergreens zoals daar zijn ‘As I die’ van Paradise Lost of een of ander singelke van de Deftones. Fout fout fout. Maar ja, zoals ik al eerder blogde, ik kom ervoor uit, ik moet niet beschaamd zijn.

Eigenlijk is dat best wel een griezelig radioprogramma, en éigenlijk ook af te raden om naar te luisteren in de auto tout court. Gisteren bijvoorbeeld kondigt die vent een liedje aan van de groep Code (of Kode, zo obscuur dat ik er niets over terugvind) met de titel ‘Possession is the medicine’. Geen rockballad, maar een liedje met een schreeuwer, ken je dat, dat zijn van die groepjes die maar twee nummerkes kunnen brengen live, daarna is de zanger zijn stem kwijt. (Meestal krijst de zanger twee, drie zinnetjes ‘Today is the day Jezus died, today I laugh. Hahaha laugh laugh. Die Jezus die. repeat 8584X)

Dus, gisteren, op een spannend moment, ik was twéé vrachtwagens aan het inhalen bij regen en er zat een Johnny in mijn gat, was het dat liedje, ‘Possession is the medicine’. Ja. Gelukkig was ik relax, en was ik nog in staat om mijzelf tot de orde te roepen: “Blijf kalm, focus op de auto voor u. Smile. Smiiiiile. Ooooohm. OOOOOOOOOOOHM.” Het was alsof de Johhny uit de auto achter mij in mijn oor zat te krijsen. En ik was te bang om aan mijn knopke van het volume te komen. De stress! De spanning! (noot aan mijzelf, volgende keer propere onderbroekskes meenemen)

Daarna, ik was bijna thuis, moest ik eerst door het bos van Everberg en daarna door het bos van Vrebos. Nieuw liedje, van een of andere gothic groep,ook heel gezellig, over beesten uit de hel enzo. Terwijl ik alleen, in dat grote bos, met mijn auto reed. 27 weeks later spookte door mijn hoofd, ik heb mij nog juist kunnen bedwingen om niet te gillen van schrik toen een konijn overstak.

Volgende keer, voor één keer, wordt het Klara.

Ik kan het niet laten. Het is sterker dan mijzelf.

Ok, hier komt ie.

Het ziet ernaar uit dat Madrid de komende zes jaar te mijden is. De kans is groot dat je er geconfronteerd wordt met een vervelende doordringende geur. Aan faeces (of feestjes?) geen tekort, daar niet van.  Ung?

Vandaag met de jongens naar de benefiet van de Kleine Wereldburger gegaan, en het was geweldig leuk. Enkele moedige mama’s en papa’s hadden een gelegenheidsbandje opgericht, en zongen kinderklassiekers. Na een korte pauze pakte Jan De Smet de zaal, en de talrijke aanwezige kinderen, volledig in. Zelfs de schuchtere Arnt kon zich niet meer houden en heeft ongegeneerd, en ongeremd, zijn gat geschud.

Daarna was er een kinderfuif, met muziek van favoriet Kapitein Winokio, en wat leuke jazzdeuntjes waar het de bedoeling van was -denk ik- om rustig op te wiegen, maar waar duchtig op geheadbanged werd.

Arnt en Jon gingen uit de bol, ze hebben hun favoriete spel kunnen spelen (met zoveel mogelijk vriendjes samen in één wc plassen), goed kunnen fuiven, oneetbare popcorn samen verorberd, en hun oud lief teruggezien (Toke, Emilia en Kasper).

Je moet toegeven, die ouders van de Kleine Wereldburgers zijn ongelofelijk. Niet alleen hebben ze from scratch een school opgericht in Borgerhout, ze hebben dat hele gebouw zelf verbouwd, ze zorgen zelf grotendeels voor de financiering, en alsof dat nog niet genoeg is dromen ze nu van een lagere school. Bij dromen blijft het niet, want ze komen er. Daar kan je donder op zeggen.

Het klinkt misschien cheezy, maar er is zoveel positieve energie in die school dat je niet anders kan dan mee te gaan. Dus, na wat voor mij ook een kleine hereniging was, kan ik er weer tegen. Baai dipje, hello inspiratie.

En nu als de wiedeweerga die stomme Flair wegleggen.

Sommige dingen krijgt Arnt maar niet onder de knie. Op één wiel rijden. Een perfecte cirkel tekenen. (whooa mama!) Autorijden. De letter R niet omgekeerd schrijven. En zich bedwingen met een alcoholstift binnen bereik.

Hij moet nog maar een vermoeden hebben van de aanwezigheid van een stift, of hij schiet als een machientje in aktie om het felbegeerde sujet te bemachtigen. Wie zoekt die vindt. Je mag die stift eender waar verstoppen, vinden doet hij. Met mijn autosleutels heeft hij dat ook. Handig! (al is dat minder handig wanneer hij te pas en te onpas die sleutel gebruikt om cd’s uit de auto te halen)

En dan heeft hij de stift. Een alcoholstift. Zwart heeft hij liefst. Onuitwisbaar. Maakt lekker vlekken in je kledij. Hmmm.

Nu, overgaan tot aktie. Want waar dient een stift voor? Om pijlen op de grond en de muur te tekenen, een kruisje hier en daar, en Otis die kan ook pijlen gebruiken, dan weet hij de weg. Op het computerscherm een kruis. En op het klavier van de computer twee kruisjes met een cirkel rond. Tegen de witte, pasgeschilderde deuren, teken je verkeerslichten.

Mission completed. De living, en Otis, is omgetoverd in een verkeerspark. Ah, heaven on earth.  Glunderend, nagenietend van zijn werk, zit hij in kleermakerszit het verkeerspark te bewonderen. Het gekijf van zijn ouders neemt Arnt er graag bij. Eerlijk gezegd, vinden die het ook grappig, wanneer ze ’s avonds de hond zien trippelen met pijlen op zijn rug. Het is een pateeke.

In januari ben ik aan mijn derde jaar Afrikaanse dans begonnen. Ik volg het bij (pas op er komt een titel) de Beste Afrikaanse Danslerares van het land. Echt waar. Of ‘echtig’ waar, zoals zij altijd zegt. Zij is Fanny Heuten. En ik ga het nog eens zeggen, ze is de beste van het land. Ik denk niet dat ze het zelf weet. Maar wij, haar cursisten, weten dat wel.

Er zijn wekelijks zo’n tweehonderd cursisten die één à twee cursussen bij haar volgen, sommigen zelfs meer. Mocht het aan mij liggen, en niet aan mijn agenda, dan zou ik er ook vier keer per week staan. Want wanneer je aan haar lessen begint, kan je niet meer stoppen. Ze zouden je moeten verwittigen wanneer je inschrijft. Dju toch.

Enfin, ze slaagt erin om zelfs de meest stijve hark de schouders los te laten, de meest onmogelijke danspassen te laten maken, en iedere week met meer goesting te laten terugkomen. Nog nog nog! Soms laat ze ons heel dicht bij elkaar dansen, zodat we elkaars impulsen kunnen aanvoelen en overnemen. Je krijgt zo een band met je medecursisten die, onwillekeurig, heel vertrouwd aanvoelt. En vaak zie je tranen in de ogen, van ontroering of van ontlading, of tja, zomaar.

Voor mij is het meest belangrijke van haar les niet de choreografie, maar de blabla. Haja, Fanny tettert heel wat af tijdens de les. In haar woorden zit de essentie van haar lessen. Ze heeft het over impulsen, voeling met de grond, hoog, laag, naar boven bewegen, luisteren naar de percussie: ‘hoor, hoort ge het? Daar zit dat accent!’ Haa, we snappen het.

Anyway, ze is een levende legende. En ik ben echtig waar vereerd dat ik les mag volgen bij haar. Echtig waar.

Ballen Gérard, het is al van dat. We wonen hier nog maar pas, en we hebben al een reputatie. Van die mensen met de poepende hond. Poepen als in copuleren, that is.

Otis, onze lieve maar domme hond, toont zich slimmer dan we dachten. Wanneer het hem uitkomt zoekt hij zich een uitweg uit de tuin, om een ommetje te maken. En en passant een vrouwke te charmeren. Kakske placeren. Lalalaaa. Life is good in Otisland.

Ondertussen heeft zowat al het volledige dorp aan onze deur gestaan met Otis: ‘Is dit uw hond?’. Eén bepaald gezin  belt op de duur gewoon aan, zet de hond af en vertrekt alvast.

Bwa, het heeft ook zijn voordelen, moet ik toegeven. Want wanneer hij nog eens is weggelopen, moet ik maar efkes als een gestoorde buitenlopen. Wanneer iemand mij gezien heeft, weten ze dat het alweer om de weerbarstige hond gaat. Eén mevrouw neemt zelfs, tijdens de wandeling met haar hond, een extra leiband mee. Voor Otis. Handig.